More Blog.

MoreDrums, MoreThoughts, MoreSport.

Everything is more!
Read Blog Latest Post
il continente americano e europeo ad una svolta epocale.

Crisis of Kans? De Gaulles Visie op een Zelfstandig Europa in de 21e Eeuw

Ik las een artikel van Catherine De Vries, hoogleraar Politieke Wetenschappen aan de Bocconi Universiteit (Milan), dat me diep aan het denken zette. De relatie tussen de Verenigde Staten en Europa is sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog gebaseerd op een wederzijds defensiepact en het bewaren van gemeenschappelijke waarden: democratie, vrije markt en de rechtsstaat. Een afspraak die beide partijen, zowel politiek als economisch, altijd heeft bevoordeeld. Maar zijn we er zeker van dat dit nog steeds zo is?

Met de val van de Berlijnse Muur zijn de evenwichten verschoven, wat leidde tot twee tegengestelde visies op de toekomst van Europa. Aan de ene kant pleitte Margaret Thatcher voor het handhaven van de “Amerikaanse dominantie” over het continent. Aan de andere kant streefde François Mitterrand, in de voetsporen van Charles de Gaulle, naar een onafhankelijk Europa, met Frankrijk als leidende macht. De NAVO werd het belangrijkste controleorgaan, en alleen Frankrijk trok zich terug, waardoor, volgens George W. Bush, de “voormalige satellietstaten van de USSR in de vrije wereld konden blijven”.

Een militair paradox en een visie van een eeuw geleden

Volgens een artikel van Tom Stevenson in De Groene Amsterdammer (DGA 149/25) is de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Europa, meer dan 35 jaar na het einde van de Koude Oorlog, nog steeds enorm: er zijn ongeveer 39.000 soldaten in Duitsland, 15.000 in Polen, 13.000 in Italië, en duizenden anderen verspreid over militaire bases van Noorwegen tot Kreta. In landen als België, Nederland, Italië en Duitsland liggen er zelfs B-61 kernbommen die alleen op direct bevel van de VS mogen worden gebruikt.

Charles de Gaulle, 1963

Dit roept een cruciale vraag op: als het doel van de NAVO was om de voormalige Sovjet-satellieten in de vrije wereld te houden, zoals George W. Bush uitlegde, waarom zijn er dan nog steeds zoveel Amerikaanse soldaten en bases in landen die al vrij en democratisch zijn? In Hongarije, Bulgarije en Slowakije zijn er bijvoorbeeld slechts ongeveer 150 (!) Amerikaanse soldaten. Het antwoord, vrees ik, brengt ons terug naar een visie die ooit anachronistisch leek, maar die vandaag de dag haar relevantie ten volle bewijst: die van Charles de Gaulle.

Al in de jaren zestig waarschuwde de Amerikaanse ambassadeur in Frankrijk, Charles Bohnen, de minister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk dat De Gaulles visie Europa tot een derde machtspool zou kunnen maken. Dit was inderdaad een van de kernpunten van het Memorandum van De Gaulle uit 1958, waarin een driepartijenleiding van de NAVO werd voorgesteld met de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Dit voorstel, dat gericht was op het geven van meer gewicht aan Europa in wereldwijde strategische beslissingen, werd afgewezen. De Gaulle reageerde coherent en vastberaden: hij trok zijn marine in 1959 uit het NAVO-commando in de Middellandse Zee terug, en in 1963 uit het Kanaal. Hij weigerde buitenlandse kernwapens in Frankrijk op te slaan en dwong de VS om 200 militaire vliegtuigen uit Frankrijk te verplaatsen. In 1966 trok hij Frankrijk officieel terug uit de militaire structuur van de NAVO en eiste hij de verwijdering van alle NAVO-bases van Frans grondgebied. Het was een grote blijk van karakter en consistentie, en ondanks verschillende pogingen slaagden de Verenigde Staten er niet in Frankrijk te isoleren in Europa.

Destabiliseren om de controle te behouden

Deze destabiliseringsstrategie, gericht op het verkrijgen van controle via min of meer directe invloeden, is een constante in het Amerikaanse buitenlandbeleid. Denk maar aan de Suezcrisis van 1956, een imperialistische daad van Groot-Brittannië, Frankrijk en Israël. Volgens het Protocol van Sèvres sloten de drie staten een overeenkomst waarbij Israël Egypte zou binnenvallen. Groot-Brittannië en Frankrijk zouden dan tussenbeide komen om de vrede te herstellen en intussen de controle over het door Nasser genationaliseerde Suezkanaal terug te nemen. Om de situatie onder controle te krijgen, chanteerde de VS, onder president Eisenhower, de twee Europese landen door te dreigen hun pondreserves te verkopen en de fondsen van het Internationaal Monetair Fonds te blokkeren als ze zich niet zouden terugtrekken. Voor De Gaulle, die toen nog geen president was, was dit het definitieve bewijs van de onbetrouwbaarheid van Amerika en de noodzaak om te streven naar Europese onafhankelijkheid. Voor Groot-Brittannië daarentegen was het de bevestiging dat je nooit tegen de Verenigde Staten in moet gaan.

Vandaag bevinden we ons in een vergelijkbare dynamiek. Al onder de regering Obama waren de eerste tekenen zichtbaar van een afstand nemen van Europa ten gunste van een opening naar China. Met een mogelijke tweede ambtstermijn van Trump verandert deze afstand in een echte breuk, met de typische tonen van het huidige autoritarisme.

Lees ook: Praktisch handboek om de waarheid te verdrinken

Een verenigd en sterk Europa, met een gemeenschappelijke munt en een zelfvoorzienende markt, zou de incarnatie zijn van De Gaulles visie. Daarom zien we steeds explicietere pogingen om het continent te ontwrichten: van Musk die Duitsers aanmoedigt om op de AfD te stemmen, tot JD Vance die op de Munich Security Conference beweert dat het gevaar niet van Rusland of China komt, maar van Europa zelf. Het narratief van figuren als Peter Hegseth, in het beroemde Signalgate-schandaal, schildert Europa af als “verouderd, ongewapend en niet zelfvoorzienend”, een continent dat aan zijn lot moet worden overgelaten.

Het meest zorgwekkende is dat de Verenigde Staten zich in een positie bevinden die hen in staat stelt ongestraft te handelen. Volgens de Financial Times vrezen Europese diplomaten dat de VS het aanbod van militaire steun gebruiken als chantage om economische concessies te verkrijgen, bijvoorbeeld over de regulering van AI en Big Tech. Hieraan wordt de economische en infrastructurele afhankelijkheid van Europa van Amerikaanse software en cloudproviders toegevoegd. Een paar jaar geleden, na de verkiezing van Trump, bekende een directeur van een ziekenhuis in Den Haag bezorgd te zijn: “Als Trump zou besluiten die servers uit te schakelen, zouden we geen toegang meer hebben tot de gegevens van onze patiënten.”

Een mentaliteitsverandering als drijfveer

Hoewel ik zijn ideeën over hegemonie en Franse grandeur niet deel, denk ik dat De Gaulle misschien gelijk had. Zijn visie op het gevaar van Amerikaanse controle over Europa, zelfs door de NAVO, blijkt in al zijn hardheid.

De enige manier om deze periode te overbruggen, is deze te gebruiken als drijfveer voor een nog diepere unie. Een unie die voortkomt uit de cultuur die we al eeuwen delen en die heeft geleid tot de creatie van het westerse denken. Het is een mentaliteitsverandering die moeilijk kan zijn, omdat we zo gewend zijn geraakt aan de Amerikaanse invloed dat we ons bijna geen onafhankelijk leven kunnen voorstellen, zowel economisch als cultureel. Misschien moeten we teruggaan in de tijd en de geschiedenis opnieuw bestuderen, om te begrijpen wie er vóór wie kwam.

  • Deel dit artikel
Gentiluomini e gentildonne del passato che utilizzano lo smartphone.

Een overlevingsgids voor het algoritmetijdperk

Sommige teksten zijn als een echo, andere als een voorteken. Het interview met Nicholas Carr dat ik gisteren afrondde, behoort tot de tweede categorie. Het trok me aan omdat Carr een schrijver is, en schrijvers hebben een fijne antenne voor de schokken die door de cultuur gaan. Maar bovenal trok het me aan omdat zijn stelling een steen in de vijver is van onze comfortabele digitale bubbel.

De revolutie die we nu meemaken, zegt Carr, is niet de vooruitgang die velen prediken en bijna iedereen als vanzelfsprekend beschouwt. Zijn standpunt is gebaseerd op een even simpele als subversieve observatie:

De hyperconnectiviteit waarin we ons vandaag bevinden, leidt niet tot betere communicatie. Integendeel, het maakt het juist slechter.

Het is een tegenverhaal, een pad dat afwijkt van de gebaande weg. Sinds het internet de lucht is die we ademen, is ons concentratievermogen kwetsbaarder geworden. We hebben moeite om ons te concentreren op lange, complexe teksten; onze geest, als een onrustig dier, zoekt constant een uitweg. De tijd zelf is van vorm veranderd, hij is gecomprimeerd. Alles moet onmiddellijk zijn, binnen handbereik, beheersbaar. Waardoor we, zoals filosoof Hartmut Rosa schrijft, in de waan leven dat de werkelijkheid iets is dat we kunnen temmen.

Lees ook: Het Trivium voor de 21e eeuw: denken, spreken, onderscheiden

Stel je onze gedachten voor als de letter T. De horizontale balk vertegenwoordigt de breedte van onze kennis, de hoeveelheid prikkels die we kunnen opvangen. De verticale staaf is de diepgang. De twee zijn omgekeerd evenredig: als de een groeit, krimpt de ander. Het tijdperk waarin we leven heeft een T getekend met een enorme horizontale balk en een bijna onzichtbare verticale staaf. We zijn ontdekkingsreizigers geworden van oneindige oppervlakken, maar we zijn het vermogen om te graven verloren.

Dit is geen schuld, maar een aanpassing. We worden gemiddeld blootgesteld aan 34 gigabyte aan informatie per dag. Een lawine waar ons brein, een prachtig orgaan dat is gesmeed voor overleving op de savanne, niet voor is uitgerust. Zijn besturingssysteem is niet up-to-date met de snelheid van de veranderingen die we hebben ingezet. En dus neemt het, om niet te bezwijken, een strategie aan: alles zo snel mogelijk analyseren en categoriseren. Een constante triage die polarisatie voedt, omdat je voor snel onderscheid duidelijke labels nodig hebt, zwart-wit.

Dit is geen moderne intuïtie. Meer dan een eeuw geleden identificeerde socioloog Charles Horton Cooley communicatietechnologieën als de primaire motor van sociale verandering. Hij ontdekte iets fundamenteels:

De manier waarop we communiceren – niet zozeer wat we communiceren – bepaalt de manier waarop we denken en handelen.

Het medium is niet neutraal; het is de onzichtbare architect van onze gedachten. En ons medium heeft bijna alle “wrijving” geëlimineerd. Het was juist de wrijving van analoge activiteiten die ze betekenis gaf. Er was een bewuste keuze, een gerichte nieuwsgierigheid achter het gebaar om een tijdschrift te pakken, een plaat op te zetten, een boek open te slaan. De afwezigheid van een oneindigheid aan alternatieven dwong tot aandacht. Met een draagbare cd-speler had je die ene cd, en de opties waren om ernaar te luisteren tot je de nuances ervan doorgrondde of er helemaal niet naar te luisteren. Vandaag de dag, als een nummer ons binnen dertig seconden niet pakt, verdrinkt het in een oceaan van miljoenen andere nummers.

De automatisering van processen heeft ons leven vereenvoudigd, maar zoals Carr al in 2014 in The Glass Cage benadrukte, heeft het ons de waarde ontnomen die voortkomt uit inspanning, uit het investeren van tijd en energie om iets te bereiken.

Maar het echte kantelpunt, het moment waarop we de regie uit handen gaven, heeft een precieze datum: 2006. Met de introductie van de Newsfeed stopte Facebook een prikbord te zijn dat door de gebruiker werd beheerd en werd het een stroom die door een algoritme werd samengesteld. Het meest ongelooflijke is dat we deze vernieuwing met enthousiasme verwelkomden, als een teken van vooruitgang. We overhandigden de sleutels van onze cultuur aan een bewaker wiens gezicht we niet kenden, noch de intenties.

Het doet me denken aan waarom ik Spotify heb verlaten, of aan de verloren strijd tegen DRM op boeken. De vraag is altijd dezelfde: wie heeft onze cultuur in handen? Waar eindigt ons kritisch denken, als de route voor ons wordt uitgestippeld? Waar eindigt onze smaak, als we die niet meer vormen door ontdekking maar door suggestie?

“De grootsheid van de liefde is onafscheidelijk van de diepgang van de geest; de breedte van de geest komt overeen met de diepgang van het hart; daarom bereiken grote harten de toppen van de mensheid, en zijn ze ook grote geesten.” — Ivan Aleksandrovic Gončarov

Het zou echter een fout zijn om alle schuld bij de algoritmes te leggen. Dat zou te makkelijk zijn. Algoritmes genereren geen desinformatie, nepnieuws of haat. Algoritmes zijn spiegels die versterken. Ze verspreiden de content die het beste werkt, die de meeste reacties genereert. En als die content wordt gevraagd, betekent dit dat iemand het creëert en velen, heel velen, het delen.

De echte vraag is dus een andere: waarom voelen we ons zo aangetrokken tot desinformatie, woede en polarisatie? Het antwoord heeft te maken met onze oudste zwaktes: de negativity bias, onze neiging om meer gewicht te geven aan negatief nieuws, en een hele reeks cognitieve denkfouten die in ons onderbewustzijn huizen. In een tijdperk dat ons constant naar buiten duwt, zoeken we steeds vaker afleiding om de confrontatie met onze innerlijke wereld, met ons emotioneel ongemak, te vermijden.

Vandaag de dag wordt wie zoekt naar zingeving gezien als een ouderwetse ziel, iemand die niet meer van deze tijd is. Blaise Pascal zei:

“Wee degenen die de zin van hun leven niet kennen; en toch is de overtuiging dat het onmogelijk is om hem te kennen zo wijdverspreid onder de mensen, dat het zelfs als wijsheid wordt verheven om hem niet te willen kennen.” — Blaise Pascal

En toch is het juist vanuit hier dat verandering kan ontstaan. Volgens Carr zal deze niet komen van een nieuwe technologie, maar van een menselijke reactie. Het zal komen van een generatie die, voor het eerst, volledig is opgegroeid met het besef van deze onteigening van cultuur en communicatie. En net zoals de generatie van de jaren ’60 in opstand kwam tegen het conformisme van hun ouders, zou deze nieuwe generatie de dwingende behoefte kunnen voelen om de diepgang terug te winnen. Om de stekker eruit te trekken om weer écht verbinding te maken. Om de nodige stilte terug te vinden om naar hun eigen gedachten te luisteren.

Misschien is de ware revolutie niet technologisch, maar een revolutie van de aandacht.

  • Deel dit artikel
interno di una casa bombardata
Photo by [Michał Lis](https://unsplash.com/@meehowlis?utm_content=creditCopyText&utm_medium=referral&utm_source=unsplash) on [Unsplash](https://unsplash.com/photos/black-leather-bag-on-gray-concrete-floor-Xsj6MNojLts?utm_content=creditCopyText&utm_medium=referral&utm_source=unsplash)

Een wereld van papier

Toen ik de foto’s zag die mijn broer me stuurde, probeerde ik me het moment van de verwoesting voor te stellen. Ik dacht aan de auteurs van de boeken in mijn bibliotheek. Hebben ze het gevaar zien aankomen? Waren ze bang? Hebben ze geprobeerd te vluchten? Ik stelde me hun personages voor, op zoek naar een veilig heenkomen, terwijl de bibliotheek instortte. Ze zijn nu dood. En ik zit hier, rouwend om hun verlies.

De bibliotheek bevond zich in een appartement in een flatgebouw dat nog niet was gebombardeerd. Israëlische soldaten gebruikten het als uitvalsbasis, vanwege de strategische ligging. Toen ze het pand verlieten, bombardeerden ze het.

Atef Abu Saif — schrijver, politicoloog en voormalig minister van Cultuur van de Palestijnse Autoriteit — had daar een bibliotheek van zo’n duizend boeken opgebouwd. Hij was ermee begonnen toen hij vijftien was. Hij vertelt over zijn diepe liefde voor boeken. Het mooiste moment was als hij genoeg zakgeld had gespaard om naar de boekwinkel te gaan en een stapel boeken te kopen.

Thuis ging hij dan in het midden van zijn kamer zitten, nam de boeken één voor één vast, raakte ze aan, rook eraan.

“Ik herinner me de geur van elk boek,” zegt hij. “Dat ritueel maakte integraal deel uit van mijn relatie met boeken en de verhalen die ze bevatten.”

Hij heeft gezien hoe het huis waar hij geboren en getogen was, werd verwoest door een bombardement. En toch deed dat minder pijn dan het moment waarop zijn broer hem via WhatsApp de foto’s stuurde van het ingestorte gebouw waar zijn bibliotheek was. De uitvalsbasis was niet langer nodig. Het gebouw werd gebombardeerd. “Dat waren de appartementen waar ik hoopte mijn leven weer op te bouwen, na de oorlog.” Ik glimlach bitter, en tegelijkertijd bewonder ik de kracht van die hoop.

“Natuurlijk, ik kan de boeken opnieuw kopen,” legt Saif uit. “Maar er zijn drie schatten die ik voor altijd verloren heb.”

De eerste: de boeken die hij van zijn vader had geërfd.

Als kind ontdekte hij zijn liefde voor lezen en schrijven door telkens weer dezelfde boeken uit de kleine boekenkast van zijn vader te lezen. Klassiekers uit de Arabische cultuur, die hij verslond vanuit elke mogelijke invalshoek. Ze hielpen hem leren lezen, zich uitdrukken, schrijven — ook technisch. Hij herinnert zich nog de dag waarop hij zijn vader vroeg of hij die boeken mee naar zijn eigen huis mocht nemen, toen hij op zichzelf ging wonen.

Dan zijn er de vier delen van het woordenboek Al-Qãmus al-Muhīt, een klassieker uit de veertiende eeuw.

Hij vertelt hoe zijn moeder uitstapte uit een taxi die terugkwam van de Jordaanse grens, hem aankeek en zei: “Kom je cadeau halen,” terwijl ze naar de kofferbak wees. Hij kon zijn ogen niet geloven. Die zware dozen voelden voor hem gewichtloos aan. Elke dag opende hij er een willekeurige pagina van. Naast de woorddefinities stonden er grammaticale regels en verwijzingen naar klassiekers uit de Arabische literatuur. Een goudmijn.

En dan waren er de handschriften van zijn eerste vier romans.

“Ik begin altijd met een eerste versie op papier. Pas daarna werk ik op de computer.”
“Mijn personages hebben geluk,” zegt hij. “Terwijl ik schrijf, zie ik hen leven, wandelen om me heen. En als het boek af is, leg ik het manuscript op een plank in de bibliotheek. Daar leven ze verder. Daar zijn ze veilig. Ze hoeven de verwoesting niet te zien. Niet door de straten van hun jeugd te dwalen en die amper nog te herkennen.”

Er waren ook zeven korte verhalen, geschreven in de gevangenis in 1992, toen hij werd gearresteerd en vastgehouden in Israël voor zijn deelname aan de Eerste Intifada. “Ik ‘publiceerde’ ze door ze aan de muur van mijn cel te hangen. Mijn celgenoten waren mijn eerste en enige lezers. Toen ik vrijgelaten werd, nam ik ze mee. Ik heb ze nooit gepubliceerd, maar sprak er onlangs nog over met mijn Arabische uitgever.”

Als ik bij mensen op bezoek ben, kijk ik altijd even naar hun boekenkast.
Het is een feilloze manier om hun portret te vervolledigen. Wat iemand leest, verraadt wat hij voelt, waar hij naar zoekt. En het hoeven geen non-fictieboeken te zijn. Ook de keuze voor bepaalde romans en genres zegt veel. Het is een innerlijke zoektocht — als ik naar mijn eigen praktijk kijk — maar ook een fysieke getuigenis van iemands reis. Veranderende interesses, dromen, teleurstellingen.

Het gaat hier niet om iets dat — hoe moeilijk ook — herbouwd kan worden.

Het gaat om iets dat het verhaal van een mens draagt.

Het is alsof je hem berooft van zijn verleden, en erger nog: van zijn toekomst.


Dit artikel is geïnspireerd op een tekst van Atef Abu Saif, gepubliceerd in De Groene Amsterdammer (149/24).

  • Deel dit artikel

Praktisch handboek om de waarheid te verdrinken

Gezocht: een getalenteerde storyteller.
Vereisten: heldere blik, lang geheugen, trefzekere woorden.
Opdracht: redden wat er overblijft van de waarheid, vóór ze in het lawaai verdwijnt.

Deze gedachte kwam bij me op terwijl ik een diepgravend artikel las op De Correspondent. Het ging over waarheid, propaganda, nostalgie en desinformatie. Maar bovenal ging het over verhalen. En het zette me aan het denken over iets wat ik al te vanzelfsprekend ben gaan vinden: wie het beste vertelt, wint.

Niet altijd wie gelijk heeft. Niet wie over de feiten beschikt.

Er zijn twee manieren om de waarheid te verstikken. De eerste is eenvoudig: onderdrukking. Censuur, dreiging, stilzwijgen. De wereld van 1984 van Orwell, waar de waarheid gevaarlijk maar duidelijk is.

De tweede manier is verraderlijker: de waarheid laten verdrinken. Verdunnen. Verwarren. Dat is de wereld van Brave New World van Huxley. Geen censuur, maar zóveel tegenstrijdige versies dat zelfs de beste stuurman geen koers meer weet te houden.

En precies daar komt storytelling in het spel.

Lees ook: Het Trivium voor de 21e eeuw: denken, spreken, onderscheiden

We leven in een tijd waarin alles verteld wordt. Elke tweet, elke reclame, elke kop. De werkelijkheid is niet langer wat gebeurt, maar hoe het verteld wordt. En dan vraag ik me af: wie schrijft de verhalen die we dagelijks horen?

Te vaak zijn wij dat niet.

Populistische leiders weten dit maar al te goed. Ze kennen de kracht van nostalgie. Ze roepen een verleden op dat veilig en groots lijkt – ook als het nooit echt zo is geweest. Een verleden waarin “alles beter was”, maar misschien alleen omdat we minder wisten. We maten geen vervuiling. We registreerden geen migratie. We gaven geen stem aan wie aan de rand leefde.

Rob Wijnberg, auteur van het stuk, wijst erop dat de mythische tijd waar Trump – en tot voor kort ook Musk – naar verwijst, het Amerika van de 19e eeuw is. Geen tijd met minder migratie: het werd gewoon niet gezien. Geen tijd met minder vervuiling: het werd niet gemeten. Geen tijd met minder conflict: het werd niet verteld.

En toch is het juist dat verhaal dat aanslaat. Omdat het eenvoud en vrijheid belooft, terwijl de realiteit vooral onrustige cijfers en complexe scenario’s biedt.

Zo krijgt Musk applaus als hij Twitter koopt “voor de vrijheid van meningsuiting”.

En haalt Zuckerberg na de verkiezing van Trump de fact-checkers weg, “want mensen moeten vrij kunnen spreken.”

Intussen verdrinkt de waarheid.

De wetenschap wordt belachelijk gemaakt. Wie wil nadenken wordt weggezet. Onderzoek wordt geschrapt. In de VS zijn woorden als “transitie” of “klimaatcrisis” verboden op officiële documenten. In Europa zijn we ook niet immuun: in Nederlandse asielcentra staan op de borden teksten als “Hier werken we aan jouw terugkeer.”

En dit alles, zogenaamd in naam van vrijheid.

Maar: welke vrijheid?

Harari zegt het duidelijk in Sapiens: mensen verenigen zich rond gedeelde verhalen. Goden, naties, bedrijven. Apple is geen mens, maar wie een iPhone heeft, weet dat hij bij iets hoort. Tot een identiteit.

Ook vrijheid is een verhaal. En zoals elk verhaal, hangt het af van wie het vertelt.

Poetin heeft het over “demilitarisering van Oekraïne”. Noord-Korea noemt zelfisolatie Juche. En wie je zegt dat je alles mag zeggen, bedoelt vaak dat je iets niét moet zeggen.

In dat vage niemandsland ontstaat het reaktionaire denken: een waarheid die geen feiten zoekt, maar bevestiging. Een vijand. Een identiteit.

Zoals Spinoza het eeuwen geleden al schreef in zijn Theologisch-Politiek Traktaat:

“De mensen strijden voor hun slavernij alsof het hun bevrijding is.”

We zien het ook nu: in Netanyahu, die volgens critici de oorlog verlengt om aan de macht te blijven. In klimaatscepsis verpakt in memes. In mensen die factchecking verwarren met censuur.

En dus kom ik terug bij mijn begin.

Gezocht: een getalenteerde storyteller.

Iemand die een ander verhaal vertelt. Eentje dat voortkomt uit de werkelijkheid. Uit verantwoordelijkheid. Uit twijfel zelfs.

Een waarheid die complexiteit niet schuwt, maar bewoont.

Geen waarheid die ons bevrijdt van de realiteit, maar ín de realiteit.

Een stem die, zoals Ruskin zei:

“De natuur onthult geen grote waarheid aan wie ze afwijst uit angst voor haar gevolgen.”

Wie het licht heeft gezien – zoals in Plato’s grot – moet terugkeren.

Het risico lopen niet begrepen te worden. Of afgewezen.

Maar dat is de enige weg.

Misschien niet om de wereld te veranderen.

Maar wel om de waarheid niet in de steek te laten.

En haar niet over te laten aan zij die haar, met een mooi verhaal, laten verdwijnen.

  • Share:
gruppo di manifestanti
Photo by <a href="https://unsplash.com/@mikenewbry?utm_content=creditCopyText&utm_medium=referral&utm_source=unsplash">Mike Newbry</a> on <a href="https://unsplash.com/photos/protestors-hold-signs-during-a-political-demonstration-WtWcj_xqSH4?utm_content=creditCopyText&utm_medium=referral&utm_source=unsplash">Unsplash</a>

De moderne fascist schreeuwt niet meer. Hij praat.

We maken de klassieke fout om fascisme alleen als iets uit het verleden te zien. Alsof het alleen bestaat in zwart-witbeelden, laarzen en marcherende menigten. Maar fascisme is geen museumstuk. Het is een kameleon. En vandaag draagt het een glimlach.

In De Groene Amsterdammer las ik een artikel van cultuurfilosoof Thijs Lijster dat me diep raakte. Het ging over hoe het fascisme zich opnieuw heeft uitgevonden. En hoe moeilijk het daardoor te herkennen is geworden.

Theodor Adorno zei het al in 1967:

“Als we fascisme willen begrijpen – en als we het willen bestrijden, moeten we het begrijpen – dan moeten we het leren herkennen in zijn hedendaagse vorm.”

Volgens historicus Roger Griffin herken je fascisme aan vier elementen: nationalisme, populisme, reactionair denken en het mythische idee van wedergeboorte. Of, zoals we vandaag zeggen: eerst ons eigen volk, weg met de elite, terug naar vroeger, make X great again. Die cocktail kan gewelddadig zijn, maar hoeft dat niet. Soms is ze vooral… gezellig.

De hedendaagse fascist komt niet meer om te sterven voor het vaderland. Hij komt om te genieten. Hij wil vlees eten, vuurwerk afsteken, 130 km/u rijden — zelfs als ziekenhuizen waarschuwen voor personeelstekorten. Zijn vrijheid is niet universeel, maar selectief. Ze geldt vooral voor mensen die op hem lijken. Wie daar niet in past — moslima’s met een hoofddoek, trans personen, mensen met een accent — bedreigt zijn comfortabele bubbel.

In die bubbel worden woorden zoals “solidariteit” of “grenzen stellen aan vrijheid” verdacht. Het is de vrijheid om anderen uit te sluiten, maar niet de vrijheid om kwetsbaren te beschermen.

En terwijl Europa de mond vol heeft van “vrijheid van meningsuiting”, censureert Amerika wetenschappelijke rapporten over klimaat, gender en inclusie. Zoals Thijs Lijster terecht opmerkt: de Amerikaanse senator J.D. Vance verwijt Duitsland en het VK dat ze de vrijheid beknotten… terwijl in zijn eigen land boeken worden gebannen die het woord “transitie” bevatten.

We glijden langzaam af. Eén norm tegelijk. Eén onschuldige grap, één belediging, één nieuw wetje tegelijk. Het is de dynamiek die historicus Ian Kershaw beschreef als “working towards the Führer”: de leider hoeft niets meer op te dragen. Zijn volgelingen weten zelf wel wat hij wil. En gaan verder dan hij ooit zou durven.

In Nederland dragen sommige opvangcentra borden met: “Hier werken we aan uw terugkeer.” Geert Wilders tweette na de val van Assad: “Vier het einde van de ramadan met uw familie. In Syrië. Niet hier. Doei.”

En ondertussen blijven we verbaasd: hoe is het zover gekomen?

Misschien is de betere vraag: wanneer zijn we gestopt met opletten?

 

  • Deel dit artikel
een man die staat voor 3 deuren: logica, grammatica en retorica

Het Trivium voor de 21e eeuw: denken, spreken, onderscheiden

Heb je het artikel al gelezen: Je hebt het Trivium al doorlopen, zonder dat je het wist? Dit is zijn verklarende broer. Hier neem ik je mee in de betekenis en kracht van Logica, Grammatica en Retorica — en waarom we ze vandaag nog steeds broodnodig hebben.

We leven in een oceaan van informatie. Elke dag ontvangen we honderden prikkels, berichten, ideeën. Maar hoeveel daarvan worden échte kennis?
En belangrijker nog: hoeveel van ons kunnen nog onderscheiden, verwoorden en redeneren?

Het Trivium – de drie vrije kunsten van Logica, Grammatica en Retorica – was ooit de basis van goed onderwijs. Vandaag zou het dat opnieuw kunnen zijn. Niet als museumstuk, maar als mentale technologie om helder te leven in een tijd van chaos.

Logica: denken in een luidruchtige wereld

We leven in een tijdperk waarin opinie het wint van argumentatie, en snelheid boven diepgang gaat. Maar logica vraagt precies het tegenovergestelde: vertraging, helderheid, mentale discipline.

Een dagelijkse oefening die deze spier traint? Journaling. Zoals ik beschrijf in: Achter de schermen van mijn hybride journaling

In de middeleeuwse scholen was logica de kunst van het onderscheiden van geldige en ongeldige redeneringen. Vandaag helpt ze ons drogredenen te herkennen, verbanden te doorzien en weerstand te bieden tegen manipulatie.

Denk aan AI: die kent geen waarheid, enkel waarschijnlijkheid. Het werkt met statistiek, niet met betekenis. (Zie ook mijn artikel Hoe ik AI gebruik om beter te studeren)

Toepassingen:

•Herken drogredenen in debatten en media
•Oefen denkstructuren met argumentatiekaarten of socratische dialogen
•Vraag je af: wat is de onuitgesproken aanname achter deze uitspraak?

de stappen om kritisch te denken

Grammatica: vorm geven aan je denken

Logica structureert het denken. Grammatica geeft het vorm. Woorden zijn geen bijzaak: ze zíjn het denken. Je denkt niet in abstractie — je denkt in taal.

In de Middeleeuwen begon alle onderwijs met grammatica. Waarom? Omdat wie de taal beheerst, ook het denken beheerst. Niet voor niets betekent logos in het Grieks zowel “woord” als “rede”.

Taal is niet enkel stijl. Taal is helderheid, samenhang, identiteit. Ook in het geheugen speelt taal een centrale rol (daarover meer in Geheugen, van retorische techniek tot spiritueel gebaar).

Toepassingen:

•Schrijf korte, precieze zinnen
•Breid je actieve woordenschat uit
•Analyseer teksten: hoe is deze zin opgebouwd? waarom werkt ze zo goed?

stappen om schrijfvaardigheden te verbeteren

Retorica: communiceren om betekenis te bouwen

Tegenwoordig klinkt retoriek als iets negatiefs: manipulatief, hol. Maar oorspronkelijk was het de hoogste kunst: helder, ethisch en doordringend communiceren.

In een tijd van algoritmes en contentmarketing is communicatie cruciaal. Gelijk hebben is niet genoeg — je moet ook begrepen worden.

Retorica is geen strijd, maar een brug. Tussen spreker en luisteraar. Tussen idee en betekenis. Zonder retorica blijft logica steriel en grammatica stom.

(Lees hierover meer in mijn artikel: Schrijven om beter te denken)

Toepassingen:

•Gebruik klassieke structuren: exordium, narratio, divisio, confirmatio, confutatio, peroratio
• Pas je taal aan je publiek aan
•Oefen in vereenvoudigen: leg je idee uit aan een kind van 8

Klassieke retorische structuur

Een technologie van de ziel

Het Trivium is geen reliek uit het verleden. Het is een technologie van de ziel — een mentaal besturingssysteem voor het informatietijdperk.

Grammatica. Logica. Retorica. Spreken, denken, onderscheiden.

Drie handelingen, drie kunsten, drie gereedschappen om burger te blijven in plaats van gebruiker. Dit is hoe ik deze technologie verwerk in mijn Tweede Brein.

Epiloog: ook dit artikel is… retorisch

Kijk nog eens goed.

Dit artikel volgt een oeroude maar krachtige structuur:

Exordium – Ik stelde je een impliciete vraag: kunnen we nog denken?
Narratio – Ik gaf je context via het verhaal van het Trivium
Divisio – Ik verdeelde het in drie: logica, grammatica, retorica
Confirmatio – Ik onderbouwde hun relevantie met actuele voorbeelden
Confutatio – Ik weerlegde de vooroordelen over deze vakken
Peroratio – Ik sloot af met een uitnodiging tot reflectie

Je hebt zojuist het Trivium doorlopen, zonder het te merken. Nu kun je het bewust opnieuw betreden.

Wil je verder denken over deze thema’s? Schrijf je in voor de nieuwsbrief of ontdek het hele ecosysteemvan artikels.

  • Share:
Loittle dutch loopfiets als cadeau voor tweede verjaardag

Brief voor je tweede verjaardag

Vandaag ben je jarig, en ik weet niet meer hoe mijn leven was vóór jou. Heb ik eigenlijk ooit een leven gehad zonder jou?Of heb ik altijd al geleefd… naar jou toe?

Soms zie ik alles helder. Alsof ik deze weg ben gegaan als verkenner, voor jou – voor jullie. Ik heb gelukkige momenten beleefd, intense droefheid gekend, ik ben verliefd geworden, heb gewonnen, verloren. Alles heb ik ergens in mij opgeschreven, zorgvuldig en met discipline.

Ik heb het gezuiverd, door het te laten passeren door dat hart – dat alle vormen kan aannemen, zelfs die van een zeef. Ik wist niet waarom. Ik wist alleen dat ik het moest doen.

Het was het leven zelf dat daarna het overbodige heeft weggehaald. Soms met een bijl, soms met een beitel. En nu is er ruimte. Ruimte om de waarheid te zien achter het licht in jouw ogen. In het geluid van je stem. In het universum van je glimlach.

Ze openbaren zich alsof ze er altijd al waren.

En ik herken ze in mij. En mij in hen.

Daarom moest ik het doen.

Zo heb ik de Schat gevonden. Er zit zoveel goud in mij. En dat goud is niet van mij. Het is van jullie. Ik geef het terug, zodat ook jullie leren het te herkennen en te zoeken. Tot het jullie beurt is om het weer door te geven aan wie na jullie komt.

Ik doe dat in elke kus, elke omhelzing.
In elk woord, of zelfs alleen door naar je te kijken.
In alle verhaaltjes en boeken die ik je voorlees.
In de muziek die we samen luisteren.
Wanneer we dansen als gekken, of samen ontbijten.
Wanneer je me vraagt om je te knuffelen en ik voel dat ik zou kunnen huilen met alle tranen die ik heb.
Wanneer je boos wordt omdat iets niet lukt, en ik probeer uit te leggen hoe je het kunt doen.
Wanneer je bang bent, en ik je voel ontspannen in mijn armen.

Is dat niet het doel van het leven?
Daarom zeg ik: het voelt alsof ik altijd naar jou toe heb geleefd.

Als je ooit voelt dat je iets goeds wilt doen, doe het dan. Zonder jezelf af te vragen waarom. Luister niet naar wie zegt dat je het fout doet. Luister naar die stem – ik weet dat je die hoort.

Je bent goud aan het verzamelen, net als ik. En het enige wat je met dat goud kunt doen, is het delen. Doorgeven. Tot ook wij op een dag onderdeel worden van dat goud.

Misschien, als je groot bent en deze woorden terugleest, vind je ze te zwaar, of te serieus. Dat begrijp ik. Misschien ben ik dan nog ergens – met een boek, of een pen. En ben jij lief genoeg om het me niet kwalijk te nemen.

En als ik er niet meer ben: maak je geen zorgen. Lees deze woorden opnieuw. Je zult ze voelen – daarbinnen, in je hart.
En dan weet je: ik ben altijd bij je.

Gelukkige verjaardag, mijn liefste.

Lees ook: How we met Alexander

Lees ook: Brief voor je eerste verjaardag

Lees ook: Onder de Asgrauwe Maan: De Geboorte van Mijn Dochter

  • Share:
Trivium met een pen, papier en redenatie

Denken we nog met ons eigen hoofd?

We worden overspoeld met antwoorden, maar lijken niet meer te kunnen kiezen.

We leven in het tijdperk van het antwoord. Alles is binnen één klik bereikbaar. Elke vraag heeft een oplossing, elk probleem een handleiding, elke onzekerheid een algoritme. En toch lijken we iets fundamenteels kwijtgeraakt te zijn: het vermogen om zelf te denken.

We kunnen alles vinden, maar niet meer onderscheiden. We hebben overal toegang toe, maar geen richting meer. In een zee van miljoenen contentfragmenten raakt ons brein verdoofd, afgevlakt, overprikkeld. Kritisch denken is een luxe geworden. Of erger: een hindernis.

Het probleem: we kunnen zoeken, maar niet begrijpen

Kunstmatige intelligentie heeft ons cognitieve tempo opgevoerd (lees ook Levenslang leren in het AI-tijdperk: technologie als hulpmiddel voor intellectuele groei). Maar ze maakt geen onderscheid tussen waarheid en waarschijnlijkheid. Scholen onderwijzen feiten, maar geen denkgereedschap. Sociale media belonen zichtbaarheid, niet diepgang. Kennis is consumptie geworden. Onderwijs prestatie. Taal ruis.

In deze context klinkt praten over “redeneren” of “denkdiscipline” bijna ouderwets. Maar juist nu, in deze oververzadigde en onzekere wereld, hebben we stevige fundamenten nodig. Geen nieuwe. Oude. En nog altijd levend.

Drie sleutels om het denken te heractiveren

Wat betekent het eigenlijk om echt te denken?

Ik nodig je uit om drie fundamentele vermogens te verkennen. Vermogens die de mensheid eeuwenlang heeft ontwikkeld om vrije en heldere geesten te vormen:

•Het vermogen om te redeneren

•Het vermogen om helder uit te drukken

•Het vermogen om te communiceren en te overtuigen

Redeneren is onderscheiden

Logica

Denken betekent onderscheiden. Waar van onwaar. Correlatie van oorzaak. Geldige redenering van drogreden.

Vandaag produceren AI-systemen geloofwaardige teksten, maar geen ware. Zonder logica worden we slachtoffer van wat “geloofwaardig klinkt” – en vertrouwen we op wat het vaakst herhaald wordt.

Logica is het tegengif. Ze leert ons om oordelen op te schorten, om vragen te stellen, om drogredenen te herkennen. Het is de kunst van het onderscheid.

Goed spreken is goed denken

Grammatica

Goed denken betekent ook: goed benoemen. Taal is de structuur van het denken. Als onze woorden verward zijn, is ons denken dat ook.

Een geest die getraind is in grammatica is niet pietluttig. Ze is vrij. Omdat ze weet hoe ze iets moet zeggen, schrijven, begrijpen.

Vandaag lijkt grammatica overbodig in de stroom van snelle communicatie. Maar juist daarom is ze belangrijker dan ooit: om te vertragen, te structureren, vorm te geven.

Communiceren om door te dringen

Retorica

Goed denken is ook goed communiceren. Retorica is geen manipulatie, maar de kunst van de overtuiging.

Een goed idee, slecht verwoord, is een gemiste kans. Retorica leert ons hoe we ons publiek begrijpen, hoe we een betoog opbouwen, hoe we overtuigen zonder te versimpelen.

Goed kunnen spreken is vandaag ook: de waarheid verdedigen tegen oppervlakkigheid. En dat is een politieke daad, geen puur talige.

De bezwaren – en waarom ze ons niet mogen stoppen

“AI denkt toch alles voor ons?”

Nee: AI simuleert denken. Het ervaart het niet. Het voorspelt, maar begrijpt niet. Als wij niet leren denken, worden we gestuurd door systemen die zelf niet denken.

“Daar is toch geen tijd voor.”

Juist omdat we worden meegesleurd door snelheid, moeten we de traagheid van de reflectie herwaarderen. Anders worden we alleen maar sneller in verdwalen.

“Maar niemand denkt toch nog zo?”

En dan? Als je verdwaalt, volg je niet de massa. Je keert terug naar de bron.

Een kleine onthulling tot slot

Als je tot hier bent gekomen, heb je net iets zeldzaams gedaan: je hebt gedacht. Je hebt een redenering gevolgd. De structuur herkend. Je overtuigingen bevraagd en herzien.

En kijk nu nog eens goed: dit artikel was een verborgen les.

Elke paragraaf is opgebouwd volgens de klassieke retorische structuur: Exordium, Narratio, Divisio, Confirmatio, Confutatio, Peroratio.

Ik heb je het Trivium niet uitgelegd. Ik heb het je laten ervaren.

Dát is wat het betekent om mensen op te leiden tot denken. Geen cursus. Geen truc. Maar een oefening. Een discipline. Een menselijke daad.

Vandaag hebben we geen nieuwe intelligentie nodig.

We hebben nieuwe helderheid nodig.

En die vinden we precies daar waar we dachten dat de tijd haar had begraven: in het hart van het menselijke denken.

  • Share:
een dagboek op een tafel met koffie naast het raam om te rouwen

Drie jaar na het verlies van mijn moeder

Ook dit derde jaar is voorbijgegaan. En ik ben er nog steeds.

Ik weet niet goed wat ik moet schrijven, maar ik zit hier, op de bank in ons nieuwe huis, terwijl de avond langzaam neerdaalt over de inspanningen en zegeningen van een nieuwe dag. Ik zou graag iets schrijven over hoe ik veranderd ben in dit derde jaar sinds mama’s overlijden, maar de waarheid is dat ik me geblokkeerd voel. Aan de ene kant wil ik niets geforceerds doen, aan de andere kant wil ik niet belerend of – erger nog – zwaar en drammerig klinken.

Elk jaar rond deze tijd lijkt mijn ziel alles opnieuw te beleven. Soms dwaal ik terug naar die dagen en weken vóór 5 mei. De échte angst. De dag dat we de diagnose kregen. De eerste chemo. De zuurstofflessen. De paar meter die steeds moeilijker, zwaarder en uiteindelijk onmogelijk werden. Het voelt alsof mijn ziel onbewust die kruisweg opnieuw aflegt. Sommige herinneringen zal ik nooit vergeten: het zijn splinters die zo diep zijn doorgedrongen dat ze één zijn geworden met mijn organen, zelfs de vitale.

Lees ook: Rouwverwerking: Wat denk je in het bijzijn van je stervende moeder?

Het eerste jaar: door de afgrond gaan

Het eerste jaar was zwaar, tot ik eindelijk recht in de rauwe realiteit keek. Die afgrond die dreigde me gek te maken moest ik door, niet langer ontwijken. De angst was verlammend. Soms was het een lage, aanhoudende fluistering. Soms een verre schreeuw. En soms gewoon donkerte, waarin ik dacht te vallen en mezelf kwijt te raken.

Ik dreigde een gevangene van mezelf te worden, telkens opnieuw vluchtend voor mijn eigen schaduw. Dus zocht ik toevlucht. In kennis, in boeken. In mijn lichaam, via sport. In momenten van helderheid waarin ik kon aanvoelen: er is iets wat ik moet begrijpen, iets wat ik moet doormaken. Ondanks de angst keek ik toch, trillend, de afgrond in. Ik probeerde niet weg te kijken. En door die kraters heen kwam ik uiteindelijk in de schatkamer terecht. Aanwezigheid vinden in de afwezigheid. Dat was mijn hoop. Dat was mijn richting.

Lees ook: Een jaar zonder mijn moeder: reflecties op de perceptie van tijd en pijn

Het tweede jaar: filosofische inzichten

Het tweede jaar was het jaar van de filosofische inzichten. Het zaad van verandering werd geplant op diezelfde 5 mei. Het woord “offer”, in de letterlijke zin van sacrum-facere, heilig maken, beschrijft mijn ontwikkeling precies. Ik voelde woede, angst, opnieuw woede, opnieuw angst. Maar er was één ding dat exponentieel toenam: de moed om door te gaan. En hoe cliché dat ook klinkt, ik vond die moed in de ogen en de glimlach van onze kinderen Alexander en Maxime, in de onvoorwaardelijke omhelzing van mijn vrouw, in de diepe blik van mijn vader en het zachte hart van mijn zus. Er was geen keuze.

Ik voelde een diepe dankbaarheid, soms zelfs ontroerend, gewoon om er te zijn. Om wakker te worden. Het overlijden van mama gaf me een krachtige impuls om te leven. Voor het eerst begreep ik dat ik niet in een sprookje leefde – en dat ooit ook mijn tijd zou komen. Er ontstond een universeel mededogen. Ik voelde het gewicht van het mens-zijn en begreep: het enige wat ik kan doen is er zijn voor anderen die hetzelfde meemaken, zullen meemaken of al hebben meegemaakt.

Lees ook: Twee jaar zonder mijn moeder: Lessen en transformaties

Het derde jaar: Thuiskomen

Maar toen kwam de angst terug. De angst dat ik misschien niet veel tijd meer heb. Want ja, ik had al begrepen wat Confucius bedoelde met de tweede helft van het leven – die begint wanneer je beseft dat je er maar één hebt. De vraag was: “Oké, en hoeveel tijd heb ik dan nog?” Met die vraag leven is niet eenvoudig. Dat bracht een revolutie op gang: ik begon voor mijn lichaam te zorgen als tempel van mijn ziel. Dit lichaam doet al 39 jaar zijn best om mij in leven te houden. Wanneer het dat niet meer kan, houdt ook dit wonder op.

Paradoxaal genoeg ben ik niet sneller gaan leven. Integendeel: ik ben vertraagd. Ik ben weer gaan mediteren, studeren, sporten. Ik begreep dat het net zo belangrijk is om te kiezen wat je leest en kijkt als wat je eet. Ik heb het niveau van mijn input verhoogd – en het niveau van mijn output volgde vanzelf.

In het afgelopen jaar is er iets definitief opengegaan. De overgang van een puur materialistische visie naar een meer spirituele benadering was geleidelijk, maar onomkeerbaar. Zoals Tolstoj schrijft in Belijdenis: ik zocht een antwoord dat oneindig was, maar gebruikte het vergankelijke om het te vinden. Het verdriet heeft die spanning zichtbaar gemaakt. Niet in één moment, maar als een dam die langzaam bezwijkt onder de druk van het water dat er allang was.

En dus, zonder drama, besefte ik dat ik de fundamentele vragen niet langer kon negeren. Wijsheid voor iedere dag van Tolstoj opende mijn ogen. Ik kreeg twee inzichten: ten eerste, dat de kwaliteit van wat je leest de kwaliteit van je denken bepaalt. En ten tweede, dat teksten uit heel verschillende tijden en culturen – Lao-Tse, de Talmoed, de Evangeliën, Pascal, Rushkin – in wezen hetzelfde zeggen. Er is een onderliggende Waarheid. Een werkelijkheid vóór religies en filosofieën. Misschien is dat de plek waar we vandaan komen, en waar we weer naartoe gaan.

De stem van binnen

Die aanwezigheid in de afwezigheid kreeg de vorm van wind, muziek, natuur. En het voelde niet meer als een metafoor. Ik ben me gaan openstellen voor een grotere werkelijkheid, alsof ik gestopt was om alleen te geloven in wat mijn ogen konden zien. Ik was bang dat het slechts rouwverwerking was. Maar zelfs mijn sceptische kant begon van toon te veranderen: van ontkennen naar vragen stellen. Ze zocht nog steeds de waarheid, maar zonder zich nog langer af te sluiten voor het bewijs dat er iets nieuws aan het gebeuren was.

Tegenwoordig koester ik die plek met eenvoudige, maar essentiële rituelen: lezen, mediteren, klassieke muziek luisteren, bewegen, bewust kiezen wat ik tot me neem, schrijven en delen wat ik leer – via woorden, via De Vadercast.

Elke ochtend, voor het huis ontwaakt, schrijf ik, lees ik, luister ik. Elke dag is een dankgebaar.

Ik schrijf met de hand, bewaar wat ik voel en ontdek in schriften die ik na zal laten aan wie na mij komt.

Ik wil dat mijn kinderen weten dat hun vader altijd is blijven zoeken. Dat hij liefhad, zich verwonderde, wilde delen, teruggeven. En dat hij geleerd heeft dat alleen de liefde voor Schoonheid – die Kunst die ons leert het eeuwige te zien in het alledaagse – alles betekenis kan geven.

Dat is mijn nalatenschap. Mijn getuigenis. Mijn dankwoord.

Aan het leven, aan Mamma.

Ook dit derde jaar is voorbijgegaan. En ik ben er nog steeds.

  • Deel dit artikel
geheugen in de moderne tijd

Geheugen, van retorische techniek tot spiritueel gebaar

We leven in een tijd waarin herinneren optioneel lijkt. Elke kennis, elke datum, elk citaat is extern beschikbaar, binnen enkele seconden opvraagbaar. In theorie hebben we het geheugen uitbesteed aan technologie om ons op iets anders te kunnen richten. Maar dat heeft een prijs: we verliezen het innerlijke contact met het verleden – en daarmee ook met onszelf.

Historisch gezien is geheugen nooit louter een instrument geweest om informatie op te slaan. Het was, al vanaf het begin, een spirituele oefening, een weg naar zelfinzicht.

Geheugen als toegang tot de innerlijke wereld

Al in de Griekse oudheid werd geheugen als meer dan een cognitieve functie beschouwd. Voor Plato betekende herinneren: terugkeren naar de waarheden die de ziel al kende voordat ze geboren werd. Leren was dus geen acquisitie, maar een terugkeer naar de oorsprong.

Augustinus beschreef het geheugen als een innerlijke ruimte waar zelfs God woont. In zijn Belijdenissen schrijft hij dat het geheugen beelden, emoties en ook hogere waarheden bevat: een mysterieuze plek waar de mens God kan ontmoeten.

Deze gedachte leeft ook in de joodse traditie: in de Talmoed staat dat de onrust van de ziel een verlangen is om terug te keren naar het Licht waaruit zij voortkomt. Geheugen is hier geen mentale functie, maar een existentiële beweging.

Vanuit deze visie probeer ik ook mijn eigen praktijken vorm te geven, zoals interstitial journaling, waarbij ik momenten van reflectie bewust inbouw in het dagelijks leven om gedachten te ordenen en dieper te begrijpen.

De geheugenkunst als vorm van discipline

In het oude Rome werd geheugen gezien als een vaardigheid om te cultiveren: Cicero gebruikte het voor zijn retoriek, maar Quintilianus beschouwde het als onderdeel van morele vorming. Herinneren was niet alleen nuttig, maar ook een weg naar karakterontwikkeling.

In de middeleeuwen, waarin het heilige woord centraal stond, kreeg geheugen een diepere dimensie. Monniken leerden hele teksten uit het hoofd, niet om ze te bezitten, maar om ze te overdenken en innerlijk te maken.

In de renaissance werd geheugen verfijnd tot een gestructureerde techniek: het “geheugenpaleis” is een mentaal bouwwerk waarin elke ruimte een betekenis draagt. Voor denkers zoals Giordano Bruno was dit niet alleen een truc, maar een filosofisch instrument: een manier om orde te scheppen in de wereld en toegang te krijgen tot een hogere bewustzijnslaag.

Deze rijke traditie heb ik verder uitgediept in het artikel Geheugen en leren, waarin ik laat zien hoe geheugentechnieken eeuwenlang in dienst hebben gestaan van ontwikkeling en inzicht.

Vandaag: toegang zonder verbinding

Met de komst van de drukpers, en later de digitale revolutie, veranderde onze relatie met kennis: we hoefden het niet meer te onthouden, maar alleen te kunnen opzoeken. Dat was een enorme stap vooruit, maar het verzwakte ook onze band met wat we weten.

Tegenwoordig lijkt herinneren inefficiënt. Maar precies die overbodigheid toont aan hoe belangrijk het is. Herinneren is kiezen wat we willen behouden, wat we voeden, wat we laten bezinken. Het is een spirituele daad, een innerlijk selectieproces dat ons vormt.

In mijn artikel Hoe ik stopte met tijd verspillen online ga ik dieper in op hoe onze aandacht, en daarmee ons geheugen, voortdurend wordt uitgehold door stimuli zonder betekenis. Stilte en herhaling zijn vandaag vormen van verzet.

Conclusie

Dit gaat niet over nostalgie. En ook niet over weerstand tegen technologie. Het gaat over het herstellen van de band met onze innerlijke oriëntatie.

We kunnen niet alles uitbesteden. Niet alles kan door anderen herinnerd worden. Sommige dingen moeten binnenin blijven. Sommige woorden moeten resoneren in de stilte van het bewustzijn, niet alleen in de stroom van content.

Geheugen is geen archief. Het is een voortdurende keuze over wat het waard is om te bewaren om mens te blijven. En misschien kunnen we juist via dat geheugen een tweede brein bouwen dat niet alleen functioneel is, maar ook trouw blijft aan onze diepste waarden.

  • Deel dit artikel